Alle rekenrecepten
Elk recept laat zien hoe je een bepaald soort som aanpakt โ van herkennen tot uitrekenen.
๐ขGetallen en getalbegrip
Grote getallen lezen
๐ขGrote getallen lees je van links naar rechts. Splits het getal in groepen van drie om het makkelijk uit te spreken.
Stappen
- 1.Splits het getal in groepen van drie van rechts: 47 | 358
- 2.Lees de linkerkant: 47 โ zevenveertig duizend
- 3.Lees de rechterkant: 358 โ driehonderdachtenvijftig
- 4.Schrijf samen: zevenveertig duizend driehonderdachtenvijftig
Getallen op de lijn zetten
๐ขOp een getallenlijn staan getallen in volgorde. Bereken hoe groot de stappen zijn en verdeel de lijn gelijkmatig.
Stappen
- 1.Bepaal het begin (0) en het einde (1.000)
- 2.750 is driekwart van 1.000 (want 750 รท 1.000 = 0,75)
- 3.Driekwart van de lijn is voorbij het midden, richting het einde
- 4.Zet een streepje op driekwart van de lijn
Afronden naar het dichtstbijzijnde hele getal
๐ขAls het cijfer achter de komma 0, 1, 2, 3 of 4 is, rond je naar beneden af. Anders naar boven.
Stappen
- 1.Kijk naar het cijfer achter de komma: dit is 6
- 2.6 is groter dan of gelijk aan 5, dus je rondt naar boven af
- 3.7,6 โ 8
- 4.Controleer: 7,6 ligt dichter bij 8 dan bij 7 โ
Kommagetallen vergelijken
๐ขKijk eerst naar het getal vรณรณr de komma. Als dat gelijk is, kijk je naar het eerste cijfer achter de komma.
Stappen
- 1.Vergelijk de cijfers voor de komma: beide zijn 3, dus gelijk
- 2.Vergelijk het eerste cijfer na de komma: 4 of 5?
- 3.5 is groter dan 4, dus 3,52 is groter
- 4.Antwoord: 3,52 > 3,47
โOptellen en aftrekken
Optellen door splitsen
โSchrijf de getallen netjes onder elkaar. Tel kolom voor kolom op, van rechts naar links.
Stappen
- 1.Schrijf de getallen onder elkaar (eenheden onder eenheden)
- 2.Tel de eenheden op: 8 + 5 = 13; schrijf 3, onthoud 1
- 3.Tel de tientallen op: 4 + 7 + 1 = 12; schrijf 2, onthoud 1
- 4.Tel de honderdtallen op: 3 + 2 + 1 = 6; schrijf 6
- 5.Antwoord: 623
Cijferend optellen
โTel kolom voor kolom, begin rechts. Als de som groter dan 9 is, onthoud je 1 naar de volgende kolom.
Stappen
- 1.Schrijf de getallen netjes onder elkaar
- 2.Begin rechts: 7 + 6 = 13; schrijf 3, onthoud 1
- 3.Tientallen: 5 + 3 + 1 = 9; schrijf 9
- 4.Honderdtallen: 4 + 8 = 12; schrijf 2, onthoud 1
- 5.Duizendtallen: 1 + 2 + 1 = 4; schrijf 4
- 6.Antwoord: 4.293
Cijferend aftrekken
โTrek kolom voor kolom af, begin rechts. Als je niet kunt aftrekken, leen je 1 van de volgende kolom.
Stappen
- 1.Schrijf de getallen netjes onder elkaar
- 2.Eenheden: 4 โ 7 kan niet; leen 1 tiental โ 14 โ 7 = 7
- 3.Tientallen (nu 2): 2 โ 6 kan niet; leen via honderdtallen van duizendtallen โ 12 โ 6 = 6
- 4.Honderdtallen (nu 9 na lenen): 9 โ 8 = 1
- 5.Duizendtallen (nu 4): 4 โ 1 = 3
- 6.Antwoord: 3.167
Aftrekken door het verschil te zoeken
โAls twee getallen dicht bij elkaar staan, is het makkelijker om het verschil te tellen dan af te trekken.
Stappen
- 1.Herken dat de getallen dicht bij elkaar liggen
- 2.Begin bij het kleinste getal: 7.995
- 3.Tel aan tot het grootste: 7.995 + 5 = 8.000, dan + 2 = 8.002
- 4.Het verschil is 5 + 2 = 7
- 5.Antwoord: 8.002 โ 7.995 = 7
Schattend optellen en aftrekken
โRond getallen af vรณรณr je rekent. Zo krijg je snel een goede schatting zonder precies te hoeven rekenen.
Stappen
- 1.Rond 387 af naar een handig getal: โ 400
- 2.Rond 514 af naar een handig getal: โ 500
- 3.Tel de afgeronde getallen op: 400 + 500 = 900
- 4.Antwoord (schatting): ongeveer 900 (werkelijk: 901)
๐งฎVermenigvuldigen en delen
Schattend vermenigvuldigen
๐งฎRonde getallen vermenigvuldig je makkelijker. Daarna kun je controleren of je antwoord logisch is.
Stappen
- 1.Rond 38 af naar 40
- 2.Rond 52 af naar 50
- 3.Vermenigvuldig: 40 ร 50 = 2.000
- 4.Antwoord (schatting): ongeveer 2.000 (werkelijk: 1.976)
Delen via tafels
๐งฎZoek het getal dat je kunt vermenigvuldigen met het deelgetal om het deeltal te krijgen.
Stappen
- 1.Vraag jezelf: welk getal ร 7 = 84?
- 2.Probeer: 7 ร 10 = 70, 7 ร 12 = 84 โ
- 3.Het antwoord is 12
- 4.Controleer: 12 ร 7 = 84 โ
Delen door handige stukken te maken
๐งฎSplits het grote getal in handige stukken die je makkelijk kunt delen. Voeg de uitkomsten samen.
Stappen
- 1.Splits 144 in handige stukken: 120 + 24
- 2.Deel het eerste stuk: 120 รท 6 = 20
- 3.Deel het tweede stuk: 24 รท 6 = 4
- 4.Tel de uitkomsten op: 20 + 4 = 24
- 5.Antwoord: 144 รท 6 = 24
Delen met rest
๐งฎZoek het grootste veelvoud van het deelgetal dat nog onder het getal past. Wat overblijft is de rest.
Stappen
- 1.Zoek het grootste veelvoud van 5 dat nog onder 47 past
- 2.5 ร 9 = 45 (past nog), 5 ร 10 = 50 (te groot)
- 3.Trek het veelvoud af: 47 โ 45 = 2 (dit is de rest)
- 4.Antwoord: 47 รท 5 = 9 rest 2
๐Breuken
Breuken
๐Bij breuken verdeel je iets in gelijke delen. De noemer zegt hoeveel delen, de teller hoeveel je neemt.
Stappen
- 1.Kijk naar de noemer: 8 โ de pizza is in 8 gelijke stukken gesneden
- 2.De teller 3 zegt dat er 3 stukken zijn opgegeten
- 3.Trek af: 8 โ 3 = 5 stukken
- 4.Antwoord: er zijn nog 5/8 van de pizza over
Stambreuken vergelijken
๐Bij stambreuken (teller = 1) geldt: hoe groter de noemer, hoe kleiner de breuk. Dus 1/3 is groter dan 1/5.
Stappen
- 1.Beide breuken zijn stambreuken (teller = 1)
- 2.Vergelijk de noemers: 4 en 6
- 3.Hoe groter de noemer, hoe kleiner het stuk
- 4.6 is groter dan 4, dus 1/6 is kleรญner dan 1/4
- 5.Antwoord: 1/4 > 1/6
Een breuk kleiner opschrijven
๐Deel teller en noemer door hetzelfde getal. De waarde van de breuk verandert niet, hij wordt alleen kleiner geschreven.
Stappen
- 1.Zoek een getal waardoor teller (6) en noemer (8) allebei deelbaar zijn
- 2.6 en 8 zijn allebei deelbaar door 2
- 3.Deel de teller: 6 รท 2 = 3
- 4.Deel de noemer: 8 รท 2 = 4
- 5.Antwoord: 6/8 = 3/4
โ๏ธVerhoudingen
Verhoudingen
โ๏ธBij verhoudingen vergelijk je twee getallen met elkaar. Je kunt een verhoudingtabel gebruiken.
Stappen
- 1.Maak een verhoudingstabel met 'kopjes' en 'lepels suiker'
- 2.Vul de bekende verhouding in: 3 kopjes โ 6 lepels
- 3.Bereken hoeveel suiker bij 1 kopje hoort: 6 รท 3 = 2 lepels per kopje
- 4.Bereken voor 5 kopjes: 5 ร 2 = 10 lepels suiker
Zelf een verhoudingtabel maken
โ๏ธSchrijf de twee soorten getallen in twee kolommen. Vul steeds hetzelfde stappatroon in.
Stappen
- 1.Schrijf boven de twee kolommen: 'Liter limonade' en 'Lepels siroop'
- 2.Vul de basisverhouding in: 2 liter โ 6 lepels
- 3.Bereken 1 liter: 6 รท 2 = 3 lepels
- 4.Vul verder aan met stappen van +3: 1โ3, 2โ6, 3โ9, 4โ12, 5โ15
๐ฏProcenten
๐Meten en maten
Meten en omrekenen
๐Bij meten zet je de ene maat om naar de andere, zoals meter naar centimeter.
Stappen
- 1.Zoek de omrekenregel: 1 meter = 100 centimeter
- 2.Je gaat van groot (meter) naar klein (centimeter), dus vermenigvuldig met 100
- 3.4,5 ร 100 = 450 centimeter
- 4.Controleer: 4 m = 400 cm en 0,5 m = 50 cm, samen 450 cm โ
Van meter naar centimeter en terug
๐Naar kleinere maat: vermenigvuldig. Naar grotere maat: deel. Onthoud: 1 m = 100 cm = 1000 mm.
Stappen
- 1.De omrekenregel: 1 meter = 100 centimeter
- 2.Je gaat van klein (cm) naar groot (m), dus delen door 100
- 3.185 รท 100 = 1 meter rest 85 centimeter
- 4.Antwoord: 1 meter en 85 centimeter
Gram en kilogram omrekenen
๐Van kg naar g: vermenigvuldig met 1000. Van g naar kg: deel door 1000.
Stappen
- 1.De omrekenregel: 1 kilogram = 1000 gram
- 2.Je gaat van groot (kg) naar klein (g), dus vermenigvuldig met 1000
- 3.2,5 ร 1000 = 2.500 gram
- 4.Antwoord: 2,5 kg = 2.500 gram
Inhoudsmaten vergelijken
๐Zet alle hoeveelheden om naar dezelfde eenheid voordat je ze vergelijkt of optelt.
Stappen
- 1.De omrekenregel: 1 liter = 1000 milliliter
- 2.Reken 3/4 liter om naar ml: 3/4 ร 1000 = 750 ml
- 3.Vergelijk: 750 ml = 750 ml
- 4.Antwoord: precies gelijk!
โฐTijd en kalender
Tijd
โฐBij tijdrekenen tel je met uren en minuten. Let op: 1 uur = 60 minuten, niet 100!
Stappen
- 1.Schrijf de begintijd op: 14 uur en 25 minuten
- 2.Tel de uren op: 14 + 1 = 15 uur
- 3.Tel de minuten op: 25 + 45 = 70 minuten
- 4.70 minuten = 1 uur en 10 minuten; tel het extra uur erbij: 15 + 1 = 16 uur
- 5.De film eindigt om 16:10
Tijdsduur schatten
โฐVergelijk de tijdsduur met iets wat je al kent. Is het meer of minder dan een uur? Meer of minder dan een dag?
Stappen
- 1.Bepaal hoeveel kwartieren je nodig hebt: 200 รท 20 = 10 kwartieren
- 2.Reken om naar uren: 10 kwartieren = 10 ร 15 minuten = 150 minuten
- 3.150 minuten = 2 uur en 30 minuten
- 4.Antwoord: je hebt ongeveer 2,5 uur nodig
๐ฐGeld
Geld
๐ฐBij geld reken je met euro's en centen. 1 euro = 100 cent.
Stappen
- 1.Schrijf de bedragen netjes onder elkaar met de komma's op รฉรฉn lijn
- 2.Tel de centen op: 35 + 80 = 115 cent = โฌ1,15
- 3.Tel de euro's op: 5 + 2 = โฌ7
- 4.Voeg samen: โฌ7 + โฌ1,15 = โฌ8,15
Kassabon schatten
๐ฐRond elk bedrag af naar een rond getal. Tel die ronde getallen op. Je hoeft niet precies te zijn.
Stappen
- 1.Rond elk bedrag af: โฌ1,29 โ โฌ1, โฌ2,45 โ โฌ2, โฌ3,79 โ โฌ4
- 2.Tel de afgeronde bedragen op: 1 + 2 + 4 = โฌ7
- 3.Antwoord (schatting): je betaalt ongeveer โฌ7
- 4.Ter vergelijking: het werkelijke bedrag is โฌ7,53
๐Omtrek, oppervlakte en inhoud
๐ทMeetkunde en ruimtelijk inzicht
Kijken vanaf de juiste kant
๐ทVoor = van voren, boven = van bovenaf, zij = van de zijkant. Elk aanzicht ziet er anders uit.
Stappen
- 1.Bepaal de kijkrichting: je kijkt van bovenaf
- 2.Van bovenaf zie je de bovenkant van de doos
- 3.De bovenkant is een rechthoek (of vierkant) โ je ziet geen zijkanten
- 4.Dit is het bovenaanzicht
Punt vinden met coรถrdinaten
๐ทHet eerste getal is de horizontale richting (x), het tweede is de verticale richting (y). Altijd x dan y.
Stappen
- 1.Het eerste getal (4) is de horizontale richting: ga 4 stappen naar rechts op de x-as
- 2.Het tweede getal (3) is de verticale richting: ga vanuit dat punt 3 stappen omhoog
- 3.Zet hier een punt
- 4.Onthoud de volgorde: altijd eerst x (rechts), dan y (omhoog)
๐Tabellen, grafieken en verbanden
Informatie uit een tabel halen
๐Zoek de juiste rij en de juiste kolom. Lees af waar die bij elkaar komen.
Stappen
- 1.Lees de kopteksten: 'Naam' en 'Punten'
- 2.Zoek in de kolom 'Punten' het hoogste getal
- 3.Anna: 45, Bo: 38, Cas: 52 โ het hoogste is 52
- 4.Antwoord: Cas heeft de meeste punten
Een cirkel in delen lezen
๐De hele cirkel is het totaal (100%). Elk stuk is een deel van het totaal. Hoe groter het stuk, hoe meer.
Stappen
- 1.Kijk wat de hele cirkel betekent: 120 kinderen = 100%
- 2.Het gele deel is 1/4 van de cirkel = 25%
- 3.Bereken: 1/4 van 120 = 120 รท 4 = 30
- 4.Antwoord: 30 kinderen kozen geel
Gemiddelde berekenen
๐Gemiddelde = alle getallen optellen, daarna delen door het aantal getallen.
Stappen
- 1.Tel alle cijfers op: 7 + 8 + 6 + 9 = 30
- 2.Tel hoeveel cijfers er zijn: 4 cijfers
- 3.Deel de som door het aantal: 30 รท 4 = 7,5
- 4.Antwoord: Lena's gemiddelde is 7,5
๐งฉContextsommen en bewerking kiezen
Eerst bedenken welke som je moet maken
๐งฉMeer? โ optellen. Minder? โ aftrekken. Groepen? โ vermenigvuldigen. Per stuk? โ delen.
Stappen
- 1.Lees de vraag: hoeveel kinderen in totaal?
- 2.Zijn er gelijke groepen? Ja: 4 tafels met elk 6 kinderen
- 3.Gelijke groepen samenvoegen โ vermenigvuldigen
- 4.4 ร 6 = 24 kinderen
Stap voor stap door een moeilijke som
๐งฉLos elk kleine stap apart op. Het antwoord van de ene stap gebruik je bij de volgende.
Stappen
- 1.Splits in stappen: (1) hoeveel broodjes bakt hij? (2) hoeveel houdt hij over?
- 2.Stap 1: 8 ร 12 = 96 broodjes
- 3.Stap 2: 96 โ 60 = 36 broodjes
- 4.Antwoord: de bakker heeft nog 36 broodjes over
Meerdere recepten achter elkaar gebruiken
๐งฉSoms heb je meerdere recepten nodig. Schrijf de recepten als een ketting en volg ze รฉรฉn voor รฉรฉn.
Stappen
- 1.Schrijf de ketting: Procenten โ Aftrekken โ Wisselgeld
- 2.Recept 1 (Procenten): 20% van โฌ45 = 0,20 ร 45 = โฌ9 korting
- 3.Recept 2 (Aftrekken): nieuwe prijs: โฌ45 โ โฌ9 = โฌ36
- 4.Recept 3 (Wisselgeld/Aanvullen): โฌ40 โ โฌ36 = โฌ4
- 5.Antwoord: je krijgt โฌ4 wisselgeld terug